Klinisch redeneren

 

 

  1. Voorbereiding voor de gemiste middag:

Omdat ik deze lesdag heb gemist, heb ik mezelf voorbereid door:

  • Het bestuderen van de theorie over klinisch redeneren, inclusief de modellen KOP, SCEGS en ICF.
  • Het doornemen van richtlijnen van de NHG en GGZ-standaarden omtrent persoonlijkheidsproblematiek en angststoornissen.
  • Het voorbereiden van een eigen casus van een patiënt met mogelijke persoonlijkheidsproblematiek, zodat ik het klinisch redeneerproces kan oefenen en reflecteren op mijn eigen handelen.

Reden voor deze voorbereiding:
Door de theorie en modellen door te nemen en een concrete casus klaar te hebben, kon ik alsnog oefenen met het systematisch redeneren en het toepassen van theorie in praktijk, ondanks mijn afwezigheid. Ik wilde mijn kennis actief vertalen naar een casus, zodat ik de vaardigheden van de les kan inhalen.

Eventuele vragen die ik had willen stellen:

  • Hoe kan ik het keuzemoment in het consult explicieter herkennen en verantwoorden?
  • Welke strategieën gebruiken ervaren POH-GGZ’ers om voorzichtig te introduceren dat er mogelijk persoonlijkheidsproblematiek speelt?
  • Hoe combineer ik modellen zoals KOP en SCEGS efficiënt tijdens een realistisch consult?
  1. Casusbeschrijving:

Patiënt:
Een 24-jarige vrouw, studente, die zich regelmatig overstuur voelt door conflictsituaties met vrienden en familie. Ze heeft stemmingswisselingen, impulsief gedrag, moeite met het onderhouden van relaties en eerder therapie gevolgd voor angst, waar ze weinig aan heeft gehad. Tijdens het gesprek merkt ze dat ze snel zelfkritisch is en twijfelt over haar eigen gevoelens.

Keuzemoment:
Ik twijfelde of ik direct wilde ingaan op mogelijke persoonlijkheidsproblematiek of eerst de actuele klachten (stress, angst en conflicten) zou behandelen.

Stappen in mijn klinisch redeneren:

  1. Verzamelen van informatie: Doorvragen op emoties, gedrag, relaties en coping.
  2. Structureren van klachten: KOP-model en SCEGS voor overzicht van emotionele, sociale en gedragsmatige aspecten.
  3. Risicobeoordeling: Impulsief gedrag, mogelijke zelfbeschadiging of conflictsituaties.
  4. Keuzeoverweging: Direct persoonlijkheidsproblematiek bespreken of eerst stabiliseren van acute klachten.
  5. Check: NHG-standaarden en GGZ-richtlijnen voor persoonlijkheidsproblematiek en angststoornissen.
  6. Besluit: Starten met bespreekbaar maken van emoties, coping strategieën en sociale relaties; structurele indicatie van persoonlijkheidsproblematiek voorzichtig bespreken afhankelijk van motivatie van patiënt.

Gebruikte theorieën/modellen:

  • KOP-model
  • SCEGS
  • ICF
  • NHG- en GGZ-standaarden
  1. Reflectie op de casus en toepassing in de praktijk

Herkenning van theorie in dagelijkse praktijk:

  • Het gebruik van KOP en SCEGS helpt bij het overzichtelijk in kaart brengen van klachten en patronen.
  • Risico-inschatting en keuze van interventies volgen evidence-based richtlijnen.

Mijn visie op het onderwerp:

  • Bij mogelijke persoonlijkheidsproblematiek is het belangrijk om eerst vertrouwen en veiligheid op te bouwen.
  • Structurele problematiek kan beter stap voor stap besproken worden, zodat de patiënt actief betrokken blijft.

Wat kan ik direct meenemen naar de werkplek:

  • Systematisch gebruiken van KOP en SCEGS bij complexe casussen.
  • Expliciet keuzemoment herkennen en motiveren waarom ik voor een bepaalde interventie kies.
  • Bewust afstemmen van interventies op motivatie en draagkracht van de patiënt.
  • Het reflecteren op mijn eigen keuzes, zelfs theoretisch, versterkt mijn professionaliteit als POH-GGZ.